Boekenrek

Jean Paul Van Bendegem: Geraas en geruis. Een pleidooi voor imperfectie. Antwerpen: Houtekiet, 2022, 376p.

Jean Paul Van Bendegem is wiskundige en filosoof. Voor een breder publiek zal hij bekend zijn, omdat hij soms ook in televisieprogramma’s verschijnt met commentaren over wetenschap of wijsbegeerte. In dit boek houdt hij een intrigerend en zeer degelijk onderbouwd pleidooi voor imperfectie, aansluitend op zijn vroegere stellingnames voor de erkenning van eindigheid (in plaats van oneindigheid) als meest verdedigbare opstelling voor de mens. Beide posities zijn in de westerse wereldvisie niet direct populair: we geloven nogal zelf-overtuigd in het streven naar perfectie, zoals ook ons onderwijssysteem illustreert (de fameuze ‘lat’ waar al die kleine mensjes over moeten, bvb).

Waarom is dit boek relevant voor historici en volkskundigen?   De auteur vertrekt van een zeer concreet en duidelijk herkenbaar gegeven: een archief. Dat is natuurlijk basismateriaal van historici en volkskundigen. Heel concreet gaat het over zijn persoonlijk archief, in zijn garage, waarin alle relevante materialen zoals boeken en artikels uit een heel leven opgeslagen worden. Heel concreet, met foto en al, gaat het over de kasten die in de garage staan van de auteur. Wanneer hij begint te bespreken wat er in zit, en hoe al die dingen geordend zijn, blijkt dat die voorstelling van het fenomeen, omwille van de onaffe en noodzakelijk onvolledige aard van elk klassement, in feite onmogelijk is. Of beter, dat DE classificatie, die uniek en correct en volledig zou zijn onmogelijk is. Daarop besluit de auteur om zijn archief dan maar als een kunstwerk te zien, wat de mogelijkheid van meerdere en creatieve invullingen toelaat, zoals het leven zelf: ‘we worden geboren om uit te waaieren’ (p.24).

In de loop van het boek worden objectniveau (zoals de fenomenen zich voordoen aan de waarnemer) en metaniveau (zoals de denker vanop een beschouwende cognitieve afstand denkt en ordent) afgewisseld in de hoofdstukken. Dat gaat op het niveau van het geheel (het archief/kunstwerk), maar ook van elk onderdeel: wat is een boek? Waar begint en eindigt het, voor de schrijver maar natuurlijk ook voor de lezer(s)?  Vandaar gaat het naar een diepe analyse van de ‘homo classificans’, waarover de auteur uitgebreid werkte. Elke definitieve, voldoende of beste classificatie, de Ultieme Classificatie (UC) is onmogelijk. Daarop wordt de prachtige uitwerking van dit begrip door Jorge Luis Borges (de bibliotheek van Babel) opgevoerd om met hem te besluiten dat zo’n bibliotheek ook God zou moeten omvatten, wat dus door een atheïst zoals de auteur niet kan aanvaard worden, en overigens weer zelf onhaalbaar is.

Als vanzelf gaat het over op entropie, dat we kennen uit de natuurwetenschappen: het ontstaan van wanorde, of het verlies van orde binnen gesloten systemen. Daaruit haalt de auteur de eerste veralgemeende grond om te stellen dat de wereld en de mens in die wereld enkel imperfect kunnen zijn. Onze Nobelprijswinnaar Ilya Prigogine heeft hier natuurlijk zijn strepen verdiend, maar naast vele anderen vandaag. In de natuur of de realiteit is ‘ruis’ (afbraak, verlies van structuur of orde, onvolledigheid, enz.) intrinsiek en alle hoop op definitieve, volledige of perfecte kennis is dus ijdel, onwaarachtig geraas. Neem daarbij de groeiende afhankelijkheid van ‘betrouwbare data’ en de manipulatie ervan door de huidige ICT-giganten (het zogenaamde ‘Surveillance Capitalism’, waarin verkiezingen maar ook markten worden gemanipuleerd) en je ziet direct het belang van die filosofische beslommeringen voor het leven, tot en met de politieke aspecten ervan.

Het laatste deel van het boek , het ‘boekstuk 10’ bevat uitgebreide besprekingen van literatuur die ondersteunend is voor de ontwikkelde ideeën, gaande van wetenschap en filosofie tot  kunst en romans. Want we zijn en blijven zoekende wezens, bestaande uit al die dimensies van imperfectie en toch zoekend.

Wat is nu de relevantie van dit alles voor de lezers van dit tijdschrift?  Waarom moeten zij dit boek zeker lezen? Ik wijs op een fenomeen dat ik de laatste toenemend zie in de cultuursector, en dat Van Bendegems analyse ook daar zinvol doet zijn. Ook in de idee van erfgoed, en nog meer in de   noodzakelijk of alleszins zinvol geachte onderneming van het opstellen van een ‘cultureel canon’ zit heel zichtbaar diezelfde vreemde pretentie of wens om een sluitende, volledige of in enig opzicht perfecte omschrijving te kunnen geven van de eigen culturele identiteit, en dat doet men dan bovendien ook nog eens door een soort archivering te maken: dit hoort wel in de orde van  de classificatie die we ‘Vlaams’ noemen, en dat niet.  Als we de diepgravende analyse van Van Bendegem volgen, dan is die onderneming in se onmogelijk, wetenschappelijk ook aantoonbaar ondoenbaar en dus meer een ontkenning van de intrinsieke menselijke imperfectie dan een redelijk, laat staan noodzakelijk project. Voor wie hecht aan de canon kan dit een tragisch besluit zijn, maar dan vooral met betrekking tot de eigen wens om zichzelf als cultuurtraditie streng en houdbaar van elke andere te onderscheiden. Aan de andere kant is het goed en maakt het leven ook echt leefbaar om te beseffen dat dit streefdoel onhoudbaar en dus eerder tot de wereld van de spookbeelden zou kunnen behoren. Dat werkt vermoedelijk bevrijdend. Misschien moet rond de intrinsieke imperfectiebegrippen een grondige bezinning opgezet in deze sector, samen met of liefst zelfs voorafgaand aan het proberen invullen van de noodzakelijke eigenheid, een vorm van perfectie?

Rik  Pinxten