Boekenrek

Jean Paul Van Bendegem: Geraas en geruis. Een pleidooi voor imperfectie. Antwerpen: Houtekiet, 2022, 376p.

Jean Paul Van Bendegem is wiskundige en filosoof. Voor een breder publiek zal hij bekend zijn, omdat hij soms ook in televisieprogramma’s verschijnt met commentaren over wetenschap of wijsbegeerte. In dit boek houdt hij een intrigerend en zeer degelijk onderbouwd pleidooi voor imperfectie, aansluitend op zijn vroegere stellingnames voor de erkenning van eindigheid (in plaats van oneindigheid) als meest verdedigbare opstelling voor de mens. Beide posities zijn in de westerse wereldvisie niet direct populair: we geloven nogal zelf-overtuigd in het streven naar perfectie, zoals ook ons onderwijssysteem illustreert (de fameuze ‘lat’ waar al die kleine mensjes over moeten, bvb).

Waarom is dit boek relevant voor historici en volkskundigen?   De auteur vertrekt van een zeer concreet en duidelijk herkenbaar gegeven: een archief. Dat is natuurlijk basismateriaal van historici en volkskundigen. Heel concreet gaat het over zijn persoonlijk archief, in zijn garage, waarin alle relevante materialen zoals boeken en artikels uit een heel leven opgeslagen worden. Heel concreet, met foto en al, gaat het over de kasten die in de garage staan van de auteur. Wanneer hij begint te bespreken wat er in zit, en hoe al die dingen geordend zijn, blijkt dat die voorstelling van het fenomeen, omwille van de onaffe en noodzakelijk onvolledige aard van elk klassement, in feite onmogelijk is. Of beter, dat DE classificatie, die uniek en correct en volledig zou zijn onmogelijk is. Daarop besluit de auteur om zijn archief dan maar als een kunstwerk te zien, wat de mogelijkheid van meerdere en creatieve invullingen toelaat, zoals het leven zelf: ‘we worden geboren om uit te waaieren’ (p.24).

In de loop van het boek worden objectniveau (zoals de fenomenen zich voordoen aan de waarnemer) en metaniveau (zoals de denker vanop een beschouwende cognitieve afstand denkt en ordent) afgewisseld in de hoofdstukken. Dat gaat op het niveau van het geheel (het archief/kunstwerk), maar ook van elk onderdeel: wat is een boek? Waar begint en eindigt het, voor de schrijver maar natuurlijk ook voor de lezer(s)?  Vandaar gaat het naar een diepe analyse van de ‘homo classificans’, waarover de auteur uitgebreid werkte. Elke definitieve, voldoende of beste classificatie, de Ultieme Classificatie (UC) is onmogelijk. Daarop wordt de prachtige uitwerking van dit begrip door Jorge Luis Borges (de bibliotheek van Babel) opgevoerd om met hem te besluiten dat zo’n bibliotheek ook God zou moeten omvatten, wat dus door een atheïst zoals de auteur niet kan aanvaard worden, en overigens weer zelf onhaalbaar is.

Als vanzelf gaat het over op entropie, dat we kennen uit de natuurwetenschappen: het ontstaan van wanorde, of het verlies van orde binnen gesloten systemen. Daaruit haalt de auteur de eerste veralgemeende grond om te stellen dat de wereld en de mens in die wereld enkel imperfect kunnen zijn. Onze Nobelprijswinnaar Ilya Prigogine heeft hier natuurlijk zijn strepen verdiend, maar naast vele anderen vandaag. In de natuur of de realiteit is ‘ruis’ (afbraak, verlies van structuur of orde, onvolledigheid, enz.) intrinsiek en alle hoop op definitieve, volledige of perfecte kennis is dus ijdel, onwaarachtig geraas. Neem daarbij de groeiende afhankelijkheid van ‘betrouwbare data’ en de manipulatie ervan door de huidige ICT-giganten (het zogenaamde ‘Surveillance Capitalism’, waarin verkiezingen maar ook markten worden gemanipuleerd) en je ziet direct het belang van die filosofische beslommeringen voor het leven, tot en met de politieke aspecten ervan.

Het laatste deel van het boek , het ‘boekstuk 10’ bevat uitgebreide besprekingen van literatuur die ondersteunend is voor de ontwikkelde ideeën, gaande van wetenschap en filosofie tot  kunst en romans. Want we zijn en blijven zoekende wezens, bestaande uit al die dimensies van imperfectie en toch zoekend.

Wat is nu de relevantie van dit alles voor de lezers van dit tijdschrift?  Waarom moeten zij dit boek zeker lezen? Ik wijs op een fenomeen dat ik de laatste toenemend zie in de cultuursector, en dat Van Bendegems analyse ook daar zinvol doet zijn. Ook in de idee van erfgoed, en nog meer in de   noodzakelijk of alleszins zinvol geachte onderneming van het opstellen van een ‘cultureel canon’ zit heel zichtbaar diezelfde vreemde pretentie of wens om een sluitende, volledige of in enig opzicht perfecte omschrijving te kunnen geven van de eigen culturele identiteit, en dat doet men dan bovendien ook nog eens door een soort archivering te maken: dit hoort wel in de orde van  de classificatie die we ‘Vlaams’ noemen, en dat niet.  Als we de diepgravende analyse van Van Bendegem volgen, dan is die onderneming in se onmogelijk, wetenschappelijk ook aantoonbaar ondoenbaar en dus meer een ontkenning van de intrinsieke menselijke imperfectie dan een redelijk, laat staan noodzakelijk project. Voor wie hecht aan de canon kan dit een tragisch besluit zijn, maar dan vooral met betrekking tot de eigen wens om zichzelf als cultuurtraditie streng en houdbaar van elke andere te onderscheiden. Aan de andere kant is het goed en maakt het leven ook echt leefbaar om te beseffen dat dit streefdoel onhoudbaar en dus eerder tot de wereld van de spookbeelden zou kunnen behoren. Dat werkt vermoedelijk bevrijdend. Misschien moet rond de intrinsieke imperfectiebegrippen een grondige bezinning opgezet in deze sector, samen met of liefst zelfs voorafgaand aan het proberen invullen van de noodzakelijke eigenheid, een vorm van perfectie?

Rik  Pinxten

Recensie: Paul Ponsaers: Georganiseerde wanorde. Rechts-extremisme in Vlaanderen 2019-2021. Antwerpen: Gompel & Svacina, 175p. www.gompel-svacina.eu

De criminoloog aan de Universiteit van Gent, Paul Ponsaers, volgt al jaren de ontwikkelingen van haatzaaierij vanuit extreem-rechts in onze contreien. Hij publiceerde hierover al een paar boeken (recent 2020, bij dezelfde uitgever). Als onderzoeker in het vakgebied dat zich zeer intensief bezighoudt met criminaliteit, vanuit elke mogelijke drijfveer, gaat zijn interesse uit naar de nieuwe wendingen, methodes en ook acties die politieke groepen ontwikkelen in hun strijd tegen de eigen maatschappelijke orde. Van bij de aanvang moet ik stellen dat dit boek mij, als toch wel levenslang onderzoeker rond culturele diversiteit, heel positief heeft verrast. Maar voor ik uitleg wat dit inhoudt lijst ik eerst kort op wat de werkwijze van Ponsaers is.
Het grootste deel van dit boek bestaat uit heel nauwgezette beschrijving, zoals een historicus dat doet, van alle mogelijke uitspraken, verenigingsvormen, publicaties, pers- en politieke verklaringen van de afgelopen drie jaar van en over extreem rechtse personen en organisaties in Vlaanderen. Dat overzicht is bijzonder nuttig en kan door elke geïnteresseerde zondermeer als archief gebruikt worden. Het vult een lacune: nergens wordt zo gedetailleerd en nauwkeurig een overzicht geboden als in dit boek. Het betreft drie jaar (zoals de ondertitel aangeeft), omdat de auteur eindigt met de bespreking van het fenomeen Conings, de militair die onlangs een arsenaal aan echte oorlogswapens stal uit een Belgische kazerne en dan, na vele bedreigende boodschappen aan het adres van personen en instellingen, van de aardbodem verdween. Bij het vinden van zijn lijk startte een onderzoek om o.a. te achterhalen of het hier zelfmoord betrof. Dit ‘incident’ nu speelt zich af in 2021, en de afhandeling zal waarschijnlijk het huidige jaar overschrijden. Met andere woorden, dit boek heeft het over de actualiteit, terwijl extreem rechts doorgaans als een historisch geworteld fenomeen wordt gezien, en daardoor eerder nostalgisch van aard lijkt. Maar, zoals Ponsaers zeer terecht opmerkt doorheen het boek, is extreem rechts de voorbije jaren aan een soort hergeboorte bezig, waarbij de oude wortels zeker spelen (de vele Hitlergroeten, om maar iets te noemen), maar dat in een nieuwe politieke context: een verzwakt Westen (en daarin de EU), meer ontwrichtende en gerichte politiek vanuit Rusland, enzovoort. Daarom al kan het boek voor veel lezers toch de oude denkkaders door elkaar schudden.

Wat documenteert Ponsaers in dit boek? In Vlaanderen (zijn politiek-geografische focus) ontstaan snel na elkaar vele kleine verenigingen, fysieke en virtuele groepjes die zichzelf expliciet en met nadruk extreem rechts noemen. Zij delen een aantal opvattingen en ideologische waarden: anti-democratisch, (hyper-)nationalistisch, identitair, anti-migrant en antisemitisch, vaak ook expliciet racistisch, autoritair, dwepend met nazisymbolen, ‘weaponizing’. De concrete invulling van elk van de stemmen in het toch wel uiteenlopend en relatief ongestructureerd landschap loopt in de praktijk soms sterk uiteen, zij het dat er duidelijke brugfiguren zijn die vaak terugkomen, ook over de grenzen van concrete groepjes heen. In zeer veel gevallen kan de auteur de verbanden aanduiden van die en andere personen in dit geheel met de partij Vlaams Belang. Vaak zijn het lokale mandatarissen van deze partij die een groepje starten, een website opzetten, of zich tonen bij vaak expliciet terroristische acties. In vele gevallen signaleert de auteur de aanwezigheid van nationale mandaathouders van deze partij op lokale acties, zoals verboden betogingen, dreigingen tegen personen of instellingen. In een aantal gevallen distantieert de leiding van het VB zich van personen, en soms verwijdert zij figuren uit de eigen rangen door ze van verkiezingslijsten te halen (zoals ook N-VA dat enkele keren deed, en zelfs CD&V en Open VLD; omdat verscillende verenigingen immers willen ‘infiltreren’). Maar soms toont de auteur ook hoe VB een soort asiel aanbiedt aan de nieuwe extreem rechtse hardliners. In dat laatste geval is er bijvoorbeeld de koppositie op een nationale lijst voor Dries Van Langenhove als ‘onafhankelijke’, maar met regelmatige steunende woorden van de voorzitter van de partij wanneer die verkozene ter discussie komt. Uit die dubbele houding kan afgeleid worden dat die extremistische figuren en hun politieke acties aan de ene kant gekoesterd worden door de partij, maar aan de andere kant soms aangevoeld worden als stoorzenders die een eventuele deelname aan regeringen duidelijk in de weg staan. Dat wijst op een diepe en mogelijk onoplosbare splitsing binnenin de partij Vlaams Belang. Daaruit volgt, zegt Ponsaers, dat de rol of de relatie van VB tegenover dergelijke groepen en personen moet herdacht worden: het is niet zo dat we te maken hebben met concentrische cirkels, emanerend vanuit het dirigistische zwarte centrum (dat dan de partij zou zijn, die de rest aanstuurt). Eerder kan het huidige veld gezien worden als een patchwork van cirkels, met gedeeltelijke overlappingen, maar ook veel dat ontsnapt aan elke centrale aansturing of controle. Het hele veld is evenmin heel duidelijk structureel afgegrensd, zodat voor iedereen (ook voor het VB) duidelijk zou zijn wie binnen en wie buiten het veld van ‘extreem rechts’ anno vandaag speelt: de randen van het geheel zijn als de rafelige randen van een geweven tafelkleed, zegt Ponsaers. Veel uitlopers, minder gedeelde en soms zelfs idiosyncratische uitwassen komen voor. Maar heel vaak zal het VB trachten figuren of acties te steunen, of zelfs ‘in te lijven’ (de asielhouding van de partij), zoals opmerkelijk natuurlijk met Dries van Langenhove en andere leden van het duidelijk wervende genootschap ‘Schild & Vrienden’. Wanneer de beschrijvingen van Ponsaers op dit vlak kloppen, dan heeft hij daarmee al een interessante theoretische bijdrage geleverd aan de studie van nieuw extreem rechts. In een tijd waarin via het internet politieke beïnvloedingen en dus ook macht verschuiven en diffuser worden dan klassieke partijstructuren toelieten, is een gedocumenteerde analyse van deze aard belangrijk: partijen kunnen leden maken, maar ook partijtucht organiseren (en dus mensen schorsen of weren), maar wat werkt in een sterk virtueel gemanipuleerde wereld? Het onderzoek naar ‘surveillance capitalism’ van o.a. Zuboff (met de rol van firma’s zoals Cambridge Analytic, die vermoedelijk mee de overwinning van Trump hebben waargemaakt door virtuele beïnvloeding van de vlottende stemmers in de USA in 2016) werkt dit punt meer in het bijzonder uit. De kracht van nieuw rechts via virtuele opruiing is ondertussen helder gebleken bij de bezetting van het Capitool na de niet-herverkiezing van dezelfde Trump. Studies zoals die van Ponsaers zijn in dat opzicht zeer belangrijk om ons beeld van de werking van politieke mechanismen minstens aan te vullen.

Maar er is nog een tweede en heel fundamenteel conceptueel debat dat moet opgezet worden. Ponsaers begint zijn boek hiermee en eindigt met een oproep om hierover minstens grondig te discussiëren. De titel van het werk geeft aan waarnaar ik verwijs: het boek draagt als titel ‘georganiseerde wanorde’. Dat verwijst uiteraard naar ‘georganiseerde criminaliteit’ met haar maatschappelijk ontwrichtende werking en gebruik van geweld. In zijn eerste hoofdstuk verdedigt Ponsaers de keuze voor dit conceptuele geheel van ‘georganiseerde wanorde’: het ordelijke samenleven wordt opzettelijk en systematisch verstoord door bepaalde groepen, waarbij provocatief kan gewerkt worden (bvb. door zich in de massa te verstoppen, gemaskerd, enz.) en geweld niet geschuwd wordt. Deze aanpak streeft echter niet naar een alternatief, een revolutionaire omslag naar een ideaal, maar wil enkel en aanhoudend afbreken, haat en ook paniek zaaien, een bestaande orde vernietigen. Daarom ‘wanorde’: er is geen duidelijk project dat in de plaats moet of kan komen, en waar dus naartoe zou kunnen gewerkt worden door politieke actie. In de bestudeerde groepen en acties van de voorbije paar jaren is dit afwezig, en wordt de ontwrichting op zich het bindteken tussen de personen die zich hierin engageren. Zo wordt ook duidelijk hoe de soms uiteenlopende groepen, wel of niet met expliciete verwijzing naar fascisme of nazisme, met oud-Germaanse dan wel zelf verzonnen ‘oersymbolen’ in vlaggen en publicaties van de groepen of op websites. De zijde van de systeemontwrichters bij de enige politieke partij die een groot stuk mee op die weg wil stappen, het VB, zal hiervoor sympathie hebben, zoals blijkt uit de nauwe banden die dan bestaan of ontstaan. Maar de zijde die een alternatief wil opbouwen (in een onafhankelijke Vlaamse staat, enz. ) kan slechts een bepaalde dosis van die wanorde voor zoet nemen, en zal dus regelmatig ook figuren terugwijzen.
De rol van het internet (en dan daarin nog meer het ‘dark net’) is in deze analyse cruciaal; meer dan ooit is het nu immers mogelijk om quasi ongelimiteerd vanop je PC ‘bevriende’ of gelijkgezinde individuen en groepen te bestoken met ontwrichtende boodschappen. Ponsaers eindigt dan ook met de vraag wat hierrond, vanuit de rechtstaat met een democratisch profiel kan gedaan worden. Let wel, er zijn initiatieven (zoals antidiscriminatiewetten, antiracismewetten), en dit werkt ook deels preventief of ontradend. Maar dat betekent natuurlijk niet dat dit ook een wervend democratisch discours realiseert.
Om een en ander nog duidelijker en realistischer te maken behandelt Ponsaers ook kort de opkomst van nieuwe wortels en bronnen voor extreem rechts. Waar de traditionele groepen zich beriepen op Germaanse, nationalistische of oud-racistische opvattingen en zogenaamde historische bronnen, daar is sinds een aantal jaar een groeiend aanbod, ook in Europa, vanuit Rusland merkbaar: opleidingskampen (met militaire training, bvb) worden door Russische partners aangeboden, en Ponsaers toont aan dat menige Vlaamse rechts extremist de weg naar die kampen vond de voorbije paar jaar. Bovendien, en dit is zo mogelijk nog meer verontrustend, maken vele staten (waaronder grootmachten zoals de USA en Rusland, maar ook Europese staten) steeds meer gebruik van (para)militaire organisaties die huurlegers aanbieden aan staten om geweldconflicten (zoals in Oekraïne) op te lossen, waar de nationale legers afzijdig kunnen blijven. Menig lid van politie- en vooral militaire organisaties in onze landen vinden de weg naar die opleidingen en de eraan gekoppelde kennis rond vuurwapens, conflictbehandeling, enz. Ponsaers stelt dat het gaat over groepen die vaak al meer gevechtskunde en zelfs aantal hebben dan menig officieel en dus politiek gecontroleerd leger. Niet verwonderlijk vinden extreem rechtse figuren meer en meer de weg naar die opleidingen, en ook gevechtsfirma’s. Ook dit stelt zeer grote vragen aan de democratische leiders in onze landen, mede omdat dit alles niet steeds los kan gezien worden van extreem rechts.

Dit is dus een zeer nuttig boek voor een brede schare van onderzoekers van maatschappelijke en ook beroepspolitieke fenomenen, zoals ook voor de leden van politieke partijen en bewegingen. Met een grondig onderlegd en democratisch bewogen onderzoeker zoals Paul Ponsaers heeft België (en Vlaanderen) een uitnemende stem in huis die dit debat vakkundig kan vooruithelpen. Ik hoop dat ook mediakringen dit zullen opmerken en de man zullen contacteren voor zijn expertise.

Rik Pinxten.

Roel Verheul: Homo Plasticus. Over het menselijk aanpassingsvermogen. Utrecht: ten Have, 383p.

De Nederlandse psycholoog Verheul brengt een synthese van nagenoeg alle bekend onderzoek in de psychologie en neurowetenschappen over de vraag of de mens nu gedetermineerd is of (relatief) vrij. In de praktijk gaat het dan over de vraag of we genetisch/economisch/neurologisch door en door geprogrammeerd zijn, dan wel of de mens in wezen aanpassingsvaardig is. De eerste optie is nog steeds bijzonder populair in de diverse vormen waarin ze gekend is: het is de ‘natuur van de mens’ dat hij zus of zo is, of ‘we zijn ons brein’ zoals een populaire neuroloog ons meende te moeten diets maken, of nog ‘de evolutionaire wetten doen ons zo of zo reageren’. In de oudheid: de mens is een wolf voor de medemens, of in de moderne tijd ‘de mens is een machine’. Vandaag vinden we deze overtuiging terug als justifiëring voor complottheorieën en aanverwante oproepen tot rechtse en extreemrechtse maatschappijvisies waarbij alphamannetjes de massa terug zouden voeren naar de ware natuur van het menszijn: een sterke leider en een volgzame achterban. In dat kader is Verheuls boek dus een belangrijk boek: naar mijn weten is dit in ons taalgebied een eerste zeer grondig overzicht van wat in de huidige neuro- en psychologische wetenschappen hierrond zoal gekend is en als betrouwbare kennis kan gebruikt worden.

Het boek begint met een lange oplijsting en bespreking van de evolutionaire en biologische plus neurologische voorstellen. Verheul kent dit terein bijzonder goed en brengt voortdurend de zo nodige en heel vaak ontbrekende nuances aan: ‘we zijn ons brein’ is determinisme uit de 19de eeuw, en is daarom misschien wel erg gepromoot vanuit conservatieve tot reactionaire hoek. In mijn vakgebied kan ik wijzen op een nagenoeg gelijktijdig succes van die andere misplaatste en grotendeels ongegronde veralgemening , aangezet door de neo-con denker S. Huntington einde jaren ’90: fundamenteel kan men, volgens hem, de wereld begrijpen als een geheel van nagenoeg onderling afgesloten ‘culturele identiteiten’. De ‘andere(n)’ is vooral ‘niet -wij’ en dus potentieel bedreigend. Dit nieuw-rechtse denken is de voorbije kwarteeuw, eerst vanuit Amerikaans Republikeinse hoek, vanuit Europese christendemocratische kringen en vanuit het opmerkelijk racistisch élan van het ‘nieuwe’ Hindoenationalisme van Moodi, bijzonder sterk omarmd en gepromoot als alternatief voor de herverdelingsideologie van de sociaal democratie en voor de elitaire neoliberale wind die ongelijkheid en een soort onbediscussieerbaar ‘identitair discours ‘ (op grond van cultuur) wilden transcenderen. Voorlopig zien we vooral een toename van cultureel identitaire uitsluiting (zie D. Trump en de Republikeinse partij in de USA, de verkiezingen en regeringen in Denemarken, Zweden, Hongarije, Italië, toch ook nog Brazilië, enz.), en zelfs een openlijk terug opnemen van slogans en programmapunten van het oude fascisme en nazisme. In die gevallen is de onderliggende houding eveneens die van een geloof in de fundamentele onveranderlijkheid en onveranderbaarheid (Verheul maakt onderscheid tussen beide, terecht) van de mens.

Dit wetenschappelijk gestoeld boek neemt niet uitgebreid stelling in deze politieke standpunten. Heel soms trekt het de redenering wel eens door tot dit maatschappelijke niveau. Dat is echter niet de eerste bedoeling van het boek. Het wil, vanuit zijn vakgebied , in de eerste plaats aantonen dat de klemtoon op onveranderlijkheid (het zit in de ‘natuur’ van de mens) en onveranderbaarheid (het is dus tegennatuurlijk en tot mislukking gedoemd om verandering na te streven) op een geloof berust dat door talloze wetenschappelijke onderzoeken van de voorbije decennia onderuit gehaald wordt. Waar komt dit geloof dan vandaan? In de Europese of westerse context kan men in de eerste plaats verwijzen naar het gegeven zijn van de realiteit in de godsdienstige wereldbeelden van de boekgodsdiensten: de realiteit en de mens zijn geschapen om te blijven zoals de schepper ze uitgedacht heeft. Ook de oude wetenschappers traden in diezelfde metafysische sporen: men zocht onveranderbare wetten (boven tijd en verandering verheven), determinisme, en daarmee ook onbetwistbare orde. Om nog uit te wijden waar Verheul zijdelings ook gaat: slechts met de Quantum Mechanica (bij ons Prigogine) wordt de tijdloze en door wetten geregeerde natuur langzaam anders gedacht. Maar zelfs het evolutiedenken van Darwin (met zijn typisch gedateerd determinisme uit die tijd) brak niet met die onveranderbaarheidsopvatting. Freud en later een aantal neurowetenschappers, psychologen en sociale psychologen gingen wel onderzoeken of de premisse van gedetermineerdheid en dus van onveranderbaarheid klopte. Het aantal gegevens en modellen die deze premisse in vraag stellen of ook onderuit halen, blijkt gewoonweg indrukwekkend.

Zoals al duidelijk is uit voorgaande paragrafen is het gevolg van het ernstig nemen van de onderzoeken en hun resultaten bijzonder: het determinisme en de vanzelfsprekende aanname van de voorstelling van de mens als ofwel volledig bepaald ofwel een gewoontedier in vraag stellen stemt ongemakkelijk. Om te beginnen stelt het ons voor nieuwe keuzes en een ander, breder begrip van verantwoordelijkheid (en moraal, zo men wil). Verder ziet Verheul in alle voorzichtigheid veel minder plaats voor het soort veralgemeningen die elke zoektocht naar alternatieven uitsluiten (als je brein bepaalt wie je bent, en niet zoiets als (vrije) wil, dan is de keuzeruimte bijzonder klein), en drukt hij op verschillende plaatsen in het boek op het gegeven dat onderzoek het oude determinisme afvoert maar (nog) niet duidelijk kan aangeven wat dan wel een aanvaardbaar en wetenschappelijk houdbaar model zou zijn. De waarderende dimensie (waarden en normen, politieke keuzes) wordt groter of minder ‘weggeduwd’, maar het is vaak nog onmogelijk om met stelligheid alternatieve beweringen te lanceren. Dat is sterk en natuurlijk in het licht van de ranzigheid en de groei van haat- en belaging in onze huidige mediawereld ook moedig als standpunt van een wetenschapper. Maar met alle voorzichtigheid concludeert Verheul toch ook dat in het algemeen een volgende model of visie het meest waarheidsgetrouw zou moeten genoemd worden: de mens is medebepaald door genetische en omgevingsfactoren, maar blijft vooral ook opvallend in staat tot verandering, doorheen het individuele leven en als soort. Dat heeft hoedanook nogal wat gevolgen voor de waardering die men kan hechten aan de huidige rechtse tendensen waar een zogenaamd natuurgetrouw leiderschap, culturele identiteit of andere vage of manifest onwetenschappelijk gestoelde ideologische modellen worden voorgesteld als ‘de aard van het beestje’. Als ze al iets zijn, dan vooral demagogisch gebruikte schijnwaarheden.

Het boek bevat veel informatie. De auteur probeert toch een zo leesbaar mogelijk relaas te geven. Dat is de moeilijkheid van het vulgariserend schrijven over wetenschap: waar vind je een goed evenwicht? Ik denk dat een geschoold publiek hier zeker toegang krijgt tot een zeer genuanceerd en lovenswaardig overzicht en diepgaande analyse rond een maatschappelijk heel fundamenteel vraagstuk: wat is vrijheid? Hoe kan ik die vandaag, in een globaliserende wereld met een nog koloniaal en anderszins uitsluitingsdenken (denk aan gender, culturele toeëigening, en zomeer) zo herdenken en ‘veranderen’ dat de zelfbepaling van de mens op een verantwoorde wijze (in lijn met de hedendaagse wetenschappelijke bevindingen) als uitgangsbasis van maatschappelijke ordening wordt genomen? De denkbeelden en feiten die Verheul vanuit de door hem gescreende disciplines aanbrengt moeten mijns inziens, samen met die van andere disciplines (sociale wetenschappen, ecologie, klimaatwetenschappen,…) gekend en verwerkt worden door verantwoordelijke politieke denkers van vandaag. Dat zal betekenen dat men in belangrijke mate moet wegbreken van de redeneringen van de zogenaamde klassieke denkers (gaande van Thomas Aquino over veel werk van de Verlichtingsfilosofen tot ook de economistische theorieën van links en rechts in de voorbije eeuw). Wat een prachtig terrein komt zo open te liggen. Kunnen we dat aan? Zullen we ook voldoende veranderingsbereid zijn om die weg te gaan? Het lijkt me dat alleszins de klimaatcrisis , de ecologische vernietiging en de nieuwe groeiende ongelijkheid als opportuniteiten kunnen gezien worden voor de nieuwe denkers.

Rik Pinxten
UGent, antropoloog

https://www.nizhoni.be/